Dood hout

Dood hout is noodzakelijk voor een gezond en soortenrijk bos. Voor vele bosorganismen is dood hout van levensbelang, ze zijn er voor hun voortbestaan afhankelijk van.

Duits onderzoek heeft uitgewezen dat in een gezond loofbos 5.000 tot 7.000 soorten dieren en planten voorkomen. Daarvan is een derde afhankelijk van dood hout, als voedingsbron of als nest- of schuilplaats. Denk hierbij aan de specht, het vliegend hert, vleermuizen,… maar ook ontelbare insecten- en paddenstoelensoorten.

Afgebroken dood hout brengt bovendien heel wat voedingsstoffen in het bos voor de levende bomen en planten In beheerde bossen is er meestal een te laag aandeel dood hout. Beheerders kunnen dat aandeel verhogen door bomen oud te laten worden, door na een storm niet alle omgewaaide bomen te verwijderen of zelfs door actief bomen te gaan ringen (onderaan het buitenste, levende deel van de stam doorzagen).

Bij dood hout wordt onderscheid gemaakt tussen staand en liggend hout. Staand hout zijn bomen zonder naalden of bladeren en met afvallende bast en takken. Gemiddeld heeft een hectare bos 2 procent staand dood hout.  De hoeveelheid liggend dood hout per hectare is 4 procent.

Tussen 1985 en 2005 is het volume aan dood hout verdubbeld, van 5 m3 naar 11 m3 per hectare. Deze trend valt samen met de stop van het consequent ruimen van dood hout in 1985. Door deze relatief jonge wijze van bosbeheer is in 2005 nog meer dan 60 procent van het dode hout vers tot oppervlakkig verteerd en is het aandeel van vrijwel vergaan dood hout maar 3 procent. Ook is in dat jaar – afhankelijk van de boomsoort – nog driekwart van het dood hout staand. Boomsoorten die heel langzaam verteren (soms meer dan 100 jaar) zijn bijvoorbeeld eik en linde; snel verterende soorten zijn beuk en wilg (tussen de 25 en 50 jaar).

Er zijn twee soorten dood hout; nog niet omgevallen afgestorven bomen of hun delen, en liggend dood hout, dat al op de grond ligt. Staand dood hout is zeldzamer. Voor veel planten en dieren is de aanwezigheid van dood hout een levensvoorwaarde. Daarbij is de verscheidenheid aan dood hout zeer belangrijk: staande en liggende stammen, stronken, takhout, etc. Ook de boomsoort is van belang. Hout dat niet te snel verrot, kan een geschikte woonplaats bieden aan insecten. Ook onder de mossen en korstmossen zijn er soorten die alleen of vrijwel alleen op dood hout voorkomen. Voor vogels, vleermuizen en andere zoogdieren is dood hout van betekenis door de aanwezigheid van holten als nest-, schuil- en/of slaapplaats. Verder is het dode hout voor deze soorten van belang als voedselbron, vanwege o.a. de vele insecten.

Door middel van het ringen en omtrekken of vellen en laten liggen van bomen kunnen boseigenaren het aandeel dood hout vergroten en daarmee de natuurwaarde van hun bos vergroten.

Door het selectief kappen van bomen komt er meer “lucht” in het bos en door het laten liggen van dood hout wordt de kwaliteit van de bodem verbeterd. Door een sterk verbeterde lichtinval krijgen de jonge boompjes en struiken meer kans om te groeien, zelfs voor planten die van oorsprong in het bos thuishoren maar er niet meer waren. Als gevolg van een dergelijke ontwikkeling breidt ook de dierenwereld zich uit.

Dode organismen zijn in onze bossen en natuurgebieden heel belangrijk. Tegenwoordig streeft men naar het verkrijgen van een meer natuurlijk bos. Het huidige beheer is gericht op het bereiken van evenwicht tussen natuur, recreatie en bosbouw. De rijksoverheid stimuleert het niet opruimen van dood hout. Bij het vaststellen van de subsidie wordt namelijk ook rekening gehouden met de hoeveelheid dood hout per perceel. Op de wandelaar komt al die ‘rommel’ wel eens wat onverzorgd over maar het is echt beter voor de kwaliteit van de bodem. Trouwens, na relatief korte tijd is veel van het dode hout al weer verteerd en verdwenen.