Invloed van klimaatverandering op voedselketens

Voedselketens

Soorten reageren verschillend op veranderingen in temperatuur en neerslag. Hierdoor treden veranderingen op in voedselketens. Een goed onderzocht voorbeeld is de voedselketen van zomereik-wintervlinder-koolmees.

De rupsen van de wintervlinder leven van jonge bladeren van de zomereik. Koolmezen in bossen voeren hun jongen voor een belangrijk deel met rupsen van de wintervlinder. Eiken, rupsen en koolmezen worden ieder door verschillende factoren gestimuleerd tot ‘voorjaarsactiviteiten’. Het gevolg is dat de ontwikkeling van de drie soorten bij een stijging van de temperatuur niet langer meer synchroon loopt. De wintervlinderrupsen zijn er eerder dan het blad van de eik. De koolmeesjongen zijn er later dan de piek in het rupsenaanbod. Zowel de wintervlinderrups als de koolmees krijgen dus te maken met voedselgebrek waardoor de kans op succesvolle voortplanting kleiner wordt. De zomereik daarentegen ondervindt minder last van vraat.

Een ander voorbeeld van een verstoorde voedselketen is die van de Bonte vliegenvanger – rupsenpiek.

25 jaar geleden arriveerden Bonte vliegenvangers rond 25 april uit hun Afrikaanse winterkwartieren in ons land. De jongen kropen begin juni uit het ei, zodat de voedselbehoefte van de jongen perfect was afgestemd op de piek in het rupsenaanbod. Twee decennia van opwarming later is de aankomst eind april nog steeds een feit, maar vissen de vogels steeds vaker achter het net bij de voedselvoorziening van hun jongen. De rupsenpiek valt tegenwoordig twee weken eerder, doordat de bomen door de gemiddeld hogere temperaturen in het voorjaar vroeger uitlopen. De uitkomstpiek van de jongen is wel iets naar voren geschoven, maar onvoldoende om het perfecte moment van voedselbehoefte en voedselaanbod vast te houden. Het gevolg is dat de jongen honger lijden en de bonte vliegenvanger in rijke loofbossen, die een uitgesproken rupsenpiek kennen, in aantal afneemt.