Vruchten; mastjaar

Bij bomen treedt pas bloei en vruchtdracht op nadat ze overgaan zijn van de juveniele naar de volwassen (adulte) fase. Dit kan variëren van enkele tot tientallen jaren.

Een mastjaar is bij bosbouw en natuurbeheer een benaming voor een jaar waarin bomen en planten veel meer vrucht dragen dan normaal. Een mastjaar komt voor bijvoorbeeld beuken, eiken en kastanjes gemiddeld eens in de 9 jaar voor.

Afhankelijk van het weer vallen de meeste eikels in september en oktober. De hoeveelheid zaad die eiken produceren verschilt erg per jaar. Eens in de zoveel jaar, als de weersomstandigheden goed zijn en de bomen genoeg reserves hebben, produceren ze veel meer eikels dan anders. Deze jaren van overdadige vruchtvorming worden mastjaren genoemd.  Mastjaren komen ook bij beuken en kastanjes voor. Een extreem goed mastjaar levert voedsel van augustus tot en met juni het jaar erna. In de vruchten die in augustus al van de boom vallen zit meestal een insect.

Mastjaren zijn ook goede jaren voor dieren die van eikels leven. Eikels vormen bijvoorbeeld een belangrijke voedselbron voor wilde zwijnen, knaagdieren en vogels. In mastjaren zie je een toename in de populaties van deze dieren. Op hun beurt spelen dieren als Vlaamse gaaien en eekhoorns, die wintervoorraden aanleggen, een belangrijke rol in de verspreiding van de eik. Vroeger werden eikels ook veel gebruikt als varkensvoer. Met de opkomst van de varkensteelt in Nederland zijn er veel eiken aangeplant. De naam mast is overigens ook afkomstig uit de varkensteelt: varkensvoer van eikels en beukennoten werd ‘mast’ genoemd.

Bij een toegenomen temperatuurstijging blijkt dat in een gemengd bos van beuken, berken en eiken, de beuk de beste kansen heeft. De beuk benut het groeiseizoen maximaal. Van de drie bomen loopt de berk het eerste uit. De boom die het eerste uitloopt, vangt het licht af van soorten die later uitlopen. Bij een temperatuurstijging van drie graden Celsius haalt de beuk de berk in. De eik wordt eruit gedrukt. De berk loopt weliswaar vroeg uit, maar de kans dat hij te pakken wordt genomen door late nachtvorst is daardoor groter.

Als de boom door vorst zijn bladeren verliest, moet hij uit zijn reservevoorraad de bladeren opnieuw opbouwen. Dit gaat ten koste van het competitievermogen van de berk. De soorten die later uitlopen, profiteren daarvan. Immers het licht dat de berk door zijn vroege uitlopen opving, komt beschikbaar voor de soorten die later uitlopen: beuk en eik.

Nattere winters die leiden tot een hogere grondwaterstand in het voorjaar zijn nadelig voor de beuk. Voor beuken in verdroogde landschappen is vernatting juist gunstig. Op sterk stagnerende bodems zoals keileem, zullen oude beuken het waarschijnlijk afleggen. Op nattere bodems zal de zomereik terrein kunnen winnen ten opzichte van de beuk. Op lemige zandgronden zal de beuk wat inleveren ten gunste van esdoorn en linde. De es zal wat opschuiven naar hogere gronden. Voor de haagbeuk zijn natte winters en droge hete zomers gunstig. Ook winterlinde en esdoorn zouden kunnen profiteren. Voor kolonisatie van het Nederlandse bos vanuit zuid-oostelijke landen zien de onderzoekers twee kansrijke soorten: tamme Kastanje en Robinia.